Klimaatakkoord: hoe zit het ook alweer?

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de gemeente de regierol heeft bij de transitie naar een aardgasvrije gebouwde omgeving. De gemeente heeft de bevoegdheid gekregen om in een omgevingsplan een warmtealternatief vast te stellen voor een bepaalde wijk en een besluit te nemen over het moment waarop de levering van aardgas wordt stopgezet.

Maar hoe ziet dit er in de praktijk uit? De ervaringen in de verschillende ‘proeftuinen’ in Nederland laten zien hoe belangrijk het is dat gemeentes goed onderzoek doen naar warmtealternatieven voor haar bewoners. En belangrijker nog is dat een groot deel van de maatregelen bij de bewoners thuis, achter de voordeur genomen moet worden. Woningeigenaren zijn de baas in hun eigen woning. Voor hen is de noodzaak zich voor te bereiden op de afkoppeling van aardgas nog niet altijd direct voelbaar. En zij zullen in veel gevallen (forse) investeringen moeten doen. Het beleid opstellen en plannen maken met de Transitievisie Warmte, dat is gelukt. Nu volgt de wijkaanpak.

Wijkuitvoeringsplan

In de wijkuitvoeringsplannen (WUP) volgt een concretisering van de Transitievisie Warmte. In het WUP per wijk komt te staan op welk (collectief) duurzaam alternatief de betreffende wijk overgaat en per wanneer. Ook staat er welke maatregelen nodig zijn om tot de gewenste situatie te komen. Het WUP moet ook aangeven welke isolatiemaatregelen nodig zijn en welke kenmerken de binneninstallatie en ventilatie van gebouwen moeten hebben om ze met de nieuwe warmtebron te kunnen verwarmen. Tot slot geeft het WUP een totaaloverzicht van de stappen die door alle betrokken partijen moeten worden gezet om het gekozen alternatief voor aardgas voor een wijk te realiseren.